Dit verhaal is een opdracht voor mijn schrijfcursus, namelijk om zoveel mogelijk dingen die ik heb geleerd toe te passen. Dit heb ik geprobeerd, mijn leraar (vader) was in het algemeen heel tevreden, maar zei dat sommige dingen nog sterker konden. Daarom kreeg ik de opdracht om deze week dit verhaal opnieuw te schrijven, maar met de opmerkingen toegepast. Voor dit verhaal moest ik een uur op zolder zitten om mijzelf te inspireren door een/meerdere personage(s). Dit heb ik gedaan. Ziehier het resultaat.
“Marijke, wil je eens even iets komen doen?”
De zware stem van oom Stef galmde door Marijkes hoofd.
“Natuurlijk oom, ik kom er zo aan!”, riep Marijke. Ze sloeg haar boek dicht en liep naar de imense keuken. Zonder op te kijken van zijn werk zei oom Stef: “Er zijn vele klanten in het restaurant die frieten bestellen, maar de aardappelen zijn op. Ga jij even kijken of er daar nog aardappelen zijn? De bergruimte is…”
“ Ik zal het wel vinden oom.”, onderbrak Marijke hem, en voor hij nog iets kon zeggen liep ze naar beneden. Als oom Stef iets uitlegde, was het meestal ook niet zo duidelijk. Ik zal het wel aan iemand anders vragen, dacht ze.
Bijna struikelend rende ze door de grote gangen. Ze kon maar beter snel zijn, zodat oom Stef niet ongeduldig werd, en zeker zijn klanten niet. Ah, daar stond een meneer, daaraan kon ze de weg vragen. Ze stortte zich op de oude man en kwam tot stilstand toen ze een halve meter van de man verwijderd was.
“Excuseer mij, maar weet u toevallig waar ik de bergruimte kan vinden?”, vroeg Marijke beleefd. De man had een snor, noch een baard. Hij had een operatie aan zijn wang gehad. Een lelijk litteken was daar te zien.
“ Zo meisje, hoe oud ben je meisje?” vroeg de stokoude man. Marijke twijfelde even of ze deze informatie wel moest zeggen aan deze oeroude zwerver. Uiteindelijk besloot ze dat hij er toch vrij onschuldig uitzag. “Dertien jaar, meneer.” Zei ze. “Mijn naam is Marijke.
“Zo…”, zei de man. “Zo zo zo… Marijke… De bergruimte… Wel wel wel…” Marijke begon stilaan haar geduld te verliezen.
“Ja, meneer, ja. Maar waar is hij?”
“De kamer die je zoekt”, zei de meneer, “ is in de eerstvolgende gang, de middelste kamer.”
“Danku.”
“Graag gedaan. Over de deur…”
Maar Marijke was al weg.
Ze volgde de instructies van de man op, en kwam bij een kamer waarop in sierlijke letters “BERGRUIMTE” was geschreven. Ze deed de zware deur voorzichtig open en meteen kwam er een vreselijke stank har neusgaten binnengedrongen die naar knoflook rook. De lucht smaakte naar stof, en de muren waren niet afgewerkt. Er hing één dof lampje aan het plafond en in de muur zat een klein raampje. Marijke begon zachtjes te bibberen. Het was namelijk best wel koud in de kamer. En er stond een grote tafel en twee kasten, die volgepropt waren met voedsel. Marijke vond net een een mand met aardappelen, toen de deur plots dichtviel.
Marijke ging naar de deur. Ze duwde en trok, en bonkte zelfs op de deur. Maar de deur ging niet open. Marijke raakte in paniek. Ze schreeuwde om hulp, maar niemand hoorde haar. Het begon te stortregenen. De regendruppels lachten haar uit omdat ze zichzelf weer eens in de nesten had gewerkt. Marijke meende ze zelfs te horen lachen. “Hahahaha!”, riepen ze.
Plots besefte ze dat ze echt stemmen. Gespannen luisterde ze.
“Hahahaha! Lien… LIEN! Niet doen! NEE!!! Hahaha! Nee, het kietelt, het KIETELT!!!”
Het zijn kinderstemmen, hoorde Marijke. De stemmen kwamen steeds dichterbij. Even werd het stil en hoorde ze de kinderen fluisteren. Nieuwsgierig keek ze door het sleutelgat. Tot haar schrik zag ze een oog door het kleine gaatje. Ze sprong achteruit.
Weeral hoorde ze de stemmen fluisteren.
“Eh… Hallo?”, vroeg een meisjesstem.
“H-hallo”, antwoordde Marijke.
“Zit je opgesloten?”
“O-opgesloten? Hoe kom je erbij? Nee, eh… Ja, inderdaad, ik kan er niet meer uit…”
“Moeten we je helpen?”
“Ehm, ja, misschien wel ja…”
Marijke hoorde de deur krakend opgengaan. Voor haar zag ze een meisje met grote, blauwe ogen en rost golvend haar. Ze was net iets kleiner dan Marijke, met ongeveer dezelfde leeftijd. Achter haar stond een kleine jongen met asblond haar, heel klein en dezelfde oogjes van het meisje voor hem, vermoedelijk zijn grote zus.
Het meisje stak een een lichtbruine hand uit. Marijke schudde hem.
“Hallo, ik ben Lien. Dit is mijn kleine broertje, Thomson. Hij is zes. Ik ben twaalf trouwens. En wie ben jij?”
“Ik? Ik ben Marijke. Eh, dertien. Aangenaam.”
Ze glimlachten beiden.
“Nou eh… Bedankt.”, mompelde Marijke. Lien glimlachte nog breder en gaf een zacht klopje op Marijkes schouder.
“Graag gedaan, hoor!”, zei ze.
Marijke fronste haar wenkbrauwen. “Wel toevallig dat jullie hier net waren!”, merkte ze op.
“O”, zei Lien. Ze bloosde. “Eh, eigenlijk vonden we het toilet niet en zijn we hier gesukkeld. Onze ouders zitten nog boven in het restaurant.” Plots schoot het Marijke te binnen.
“Oh nee, mijn oom zit boven nog te wachten. Hij vraagt zich waarschijnlijk af waar ik blijf. Ik moet zo naar boven. En eh, oh ja, het toilet is hier om de hoek. Tot ziens dan maar!”
“Bedankt. Tot ziens! Zeg eens dada, Thomson”, zei Lien.
“Dada Majijke, dada!” zei Thomson zwaaiend met zijn handje.
“Dag Thomson. Dag Lien!”, zei Marijke nog een laatste keer.
“Dag Marijke.”
Marijke holde terug naar boven. De oude man zat er nog steeds en Marijke knikte hem toe. Ze liep verder en kwam uiteindelijk bij keuken. Daar was oom Stef, die ongeduldig heen en weer liep.
“WAAR HEB JIJ GEZETEN?!”, riep hij. Zijn hoofd was helemaal rood.
“Opgesloten in de bergruimte”, antwoordde Marijke koel.
“O. En, waar zijn de aardappelen?”,zei hij een heel pak rustiger.
Nu was het Marijke die rood werd.
“Euh… Oeps…”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten